NL |  FR |  EN
Pers |  Nieuwsbrief |  Campagne |  Bedankt |  Contact
 

De avonturen van Johnny Appleseed (appelzaad) 

Inderdaad Johnny Appleseed bestond echt. Hij heette John Chapman en hij werd geboren op 26 september 1774 te Leominster, Massachusetts.

Waarschijnlijk is het beste ware verhaal over John Chapman en zijn werk gepubliceerd door de Ohio Historical Society van 1861. Er is weinig bekend over zijn jeugdjaren, behalve dat hij van de natuur hield. Zijn halfzus die de voogdij over hem had, vertelde niets dan mooie verhalen uit zijn jeugdjaren. Hij hield van het ongerepte woud. Het zien van bloemen in het open veld was voor hem een feest. Hij bekeek de natuur als zijn vriend. Men weet niet dat hij ooit ook maar een dier verwond, laat staan gedood heeft, behalve een ratelslang en daar was hij achteraf nog verdrietig om.

In zijn vroege twintigerjaren verhuisde hij naar West Pennsylvania, naar een grensdorpje Warren, nabij de stad Pittsburgh. Van daaruit vertrok hij westwaarts naar de Ohio vallei, en de volgende vijftig jaren leefde hij op zo’n manier, dat hij als een levende legende werd beschouwd.

Vanaf dat hij naar Ohio kwam, scheen zijn missie eruit te bestaan appelbomen te planten en het geloof van de ‘Kerk van Jeruzalem’ te prediken. Hij volgde de rivieren en zaaide waar er ook maar geschikte gronden waren, her en der appelbomen. Om de percelen legde hij omheiningen aan. Elk jaar kwam hij er terug om de boompjes te verzorgen en nieuwe boomkwekerijen aan te leggen. Wanneer er zich in de streek pioniers kwamen vestigen schakelde hij die in voor de boomkwekerijen. Hij gaf hun advies om appelbomen te kweken en te planten en welke variëteiten de beste waren. Zijn favoriete appel werd later op bijna elke boerderij teruggevonden in de regio waar hij doorreisde.Hij bleef de nederzettingen voor en stichtte zijn boomkwekerijen telkens meer naar het westen. Zo besloeg hij bijna heel Ohio en een stuk van Indiana. 40 jaar lang volhardde hij met zijn werk en zonder twijfel is er geen enkele regio in de US waar men in de vroege nederzettingen zo veel fruit plantte dan in het territorium van John Appleseed.

Men keek altijd uit naar zijn bezoeken aan de nederzettingen en hij werd altijd gastvrij ontvangen, geen deur bleef voor hem dicht. Voor die mannen en vrouwen was hij de nieuwsdrager en de voorspeller, voor de kinderen de verteller en de speelkameraad. Hij leerde de jongens sleden en wagens maken, voor de meisjes bracht hij gekleurde linten en kant mee. Hij waardeerde de eenzaamheid van het pioniersleven en vrolijkte de boel op waar hij maar kon. Hij had altijd een lederen tas met appelzaden bij zich en was constant bezig met zaden te planten op open plekken en in de bossen, langs de spoorwegen en de rivieren. Zo werd hij bekend als de “appel-zaden-man” en later is zijn echte naam, John Chapman, verdwenen en was hij alleen nog maar bekend als Johnny Appleseed.

Johnny Appleseed werd omschreven als een man van middelbare grootte, met blauwe ogen, lang lichtbruin haar en een slungelachtig figuur maar zeer kwiek en alert. Hij droeg eenvoudige kleding die hij grotendeels kreeg als betaling van de pioniers voor de appelbomen. Zijn kleding stelde eigenlijk niks meer voor dan een koffiezak met gaten erin voor zijn hoofd en zijn armen, zo trok hij door de wouden. Volgens hem was kleding er niet als ornament, alleen als bescherming. Meestal liep hij blootsvoets, zelfs in de winter. Hij was strikt vegetarisch, hij at vis noch vlees. Hij geloofde dat het verkeerd was om te doden voor voedsel. Dit was zonder twijfel een van zijn beweegredenen om mensen aan te sporen om fruit aan te planten om te eten. Hij zocht zelden een onderkomen in een huis en wanneer hij het toch deed, sliep hij altijd op de vloer voor het haardvuur met zijn knapzak als kussen. Uitzonderlijk bij zeer slecht weer zocht hij ergens onderdak, anders verkoos hij altijd om in het woud te slapen.

Een stuk van zijn leven leefde hij samen met een familielid dichtbij wat nu Mansfield, Ohio is. In die tijd werd de oorlog van 1812 uitgevochten en veel van de actieve veldslagen uit die oorlog waren vlakbij zijn huis. Meer dan 40 jaar doorkruiste John Appelseed de bossen en velden van Ohio en Indiana. Hij zorgde voor zijn bomen en hij leerde de boeren hoe ze fruit moesten telen.
Hij had ook verschillende boomkwekerijen in North Indiana. Op zeker dag hoorde hij dat een kudde vee de omheining rond een aanplanting in Forth Waine vernield had .Hij haastte er zich naartoe en begon onmiddellijk met de herstellingen, het was koud en het sneeuwde. Op zekere nacht stopte hij bij het huis van Mr. Worth om te schuilen. Hij werd er goed ontvangen, er werd een bed voor hem klaargemaakt. De familie maakte zich klaar om samen met hem te lezen en te bidden. Hij las hen voor uit zijn Bijbel, hij bad tot God voor de zegen over alle mensen en naties en om diegenen te troosten die verminkt en verlaten waren. Hij bad voor universeel geluk en vrede en legde zich dan te slapen. De volgende morgen was hij erg ziek, hij bleek een longontsteking te hebben opgelopen. Enkele dagen later stierf hij zoals hij geleefd had: in vrede met alles en iedereen. Mr. Worth en de buren begroeven hem op het David Archer kerkhof, 21/2 mijl ten noorden van Fort Wayne, in een anoniem graf.
Het verhaal van Johnny Appleseed wordt in Amerika en in de landen waar later de Amerikaanse emigranten naartoe trokken, herverteld om de herinnering aan deze pionier en aan zijn werk als verspreider van de fruitteelt in de Middle West levend te houden. Het is een eenvoudig verhaal, maar het moet blijvend naverteld worden omdat wat Johnny Appleseed deed, zo waardevol was. Hij gaf een meerwaarde aan het land waar hij doorreisde, en een eeuw van vernieuwing en vooruitgang heeft zijn werk nog niet volledig kunnen wegvegen. De bedrijven en fruitaanplantingen van Ohio en Indiana zijn de getuigen van zijn toewijding en intelligentie.

Het kan geen kwaad om af en toe eens stil te staan bij de oorsprong van de velden, steden, huizen, snelwegen en ander comfort dat wij nu kennen. Het maakt een soort van dankbaarheid in ons wakker, erkenning voor diegenen die voor ons werkten, de pioniers. Johnny Appleseed leerde onze voorvaderen hoe ze bomen en fruit moesten kweken. Het navertellen van dit verhaal is een eenvoudige bijdrage ter herinnering. Het is als het plaatsen van een bloem op zijn graf door diegenen die nu, meer dan tweehonderd jaar later, zijn werk verder zetten.

De appel: vrucht van de mythes 

Bij de Grieken of de Kelten; in vele mythologieën speelt de appel een belangrijke rol. Elke cultuur, elke traditie doet een beroep op de appel... zelfs voor de geschiedenis en de wetenschap !

Het verhaal van de Gouden Appel 

De Trojaanse Oorlog begon op de bruiloft van twee Griekse goden, Peleus en Thetis. Alle goden waren uitgenodigd, behalve Eris, de god van Ruzie en Twist. Zij werd daar zo boos om, dat ze besloot wraak te nemen. Toen het feest aan de gang was, sloop ze naar een raam en gooide een gouden appel naar binnen. Eris had een boodschap op de appel geschreven:"Voor de mooiste godin." Drie godinnen vonden dat zij recht hadden op de appel. Hera (Latijn: Juno), Pallas Athena (Latijn: Minerva) en Aphrodite (Latijn: Venus) meenden alle drie de mooiste godin te zijn. Hera was mooi, en vooral machtig, want zij was de vrouw van de oppergod Zeus (Latijn: Juppiter). Pallas Athena vond zichzelf het mooiste, schitterend in haar wapenrusting. En Aphrodite, de godin van Liefde en Schoonheid, vond dat zij recht had op de appel.

Welke godin mocht de appel hebben? De goden kwamen er niet uit, en het feestje was verpest. Eris had wraak genomen. Maar die wraak had grote gevolgen. De goden stuurden de drie godinnen samen met de bode van de goden, Hermes (Latijn: Mercurius) naar het stadje Troje (Latijn: Ilium) , in het huidige Turkije. Daar vroegen ze aan Paris, zoon van Priamus, de koning van Troje, wie hij de mooiste godin vond. Hij dacht lang na, en de godinnen werden zenuwachtig. Hera wilde dolgraag dat Paris haar koos, maar daar was ze niet echt zeker van. Daarom probeerde ze Paris om te kopen. Ze fluisterde in zijn oor:"Als je mij kiest, wordt je de machtigste man ter wereld.". De andere twee godinnen begrepen wel dat Hera de prins probeerde om te kopen, en moesten de jongen dus ook een aanbod doen, anders werd Hera vast en zeker gekozen. Pallas Athena beloofde Paris eeuwige roem. Als laatste deed Aphrodite een aanbod:"Van mij krijg je de allermooiste vrouw ter aarde." Nu hoefde Paris niet lang meer na te denken: hij koos Aphrodite.
De mooiste vrouwelijke sterveling ter aarde was Helena. Dat wist Aphrodite wel. Maar ze wist ook dat Helena getrouwd was met de Griekse vorst Menelaus. Toen Menelaus een keer op reis was, nam Aphrodite Paris mee naar het paleis van Menelaus in Sparta. Daar logeerde Paris een paar dagen, en Aphrodite zorgde ervoor dat Helena verliefd werd op Paris. Paris nam Helena mee naar Troje.

Toen Menelaus terugkwam van zijn reis en ontdekte wat er tijdens zijn afwezigheid was gebeurd werd hij woedend. Toen hij ooit de gelukkige bruidegom van Helena werd, bleven er vele andere vrijers teleurgesteld over. Zij beloofden toen plechtig dat zij Menelaus door dik en dun zouden steunen als er ooit om Helena gevochten moest worden. De woedende koning trommelde dus al deze mannen met hun legers op, en onder leiding van zijn broer Agamemnon verzamelde dit gigantische leger zich in Aulis. Agamemnon wil zo snel mogelijk uitvaren naar Troje, maar dit werd verhinderd door een zeer lang aanhoudende windstilte. Agamemnon werd ongeduldig, en raadpleegde de ziener Calchas. Deze zei dat de godin Artemis erg kwaad was op Agamemnon, want hij had tijdens een jachtpartij een aan Artemis gewijde hinde neergeschoten. Als boete eist zij het offer van de dochter van Agamemnon, Iphigeneia. Als dit onschuldige meisje op het altaar staat en Agamemnon diep bedroefd zijn zwaard heft, krijgt Artemis medelijden. Ze verwisselt Iphigeneia bliksemsnel voor een hert, en maakt van de dochter van Agamemnon een priesteres op een ver weg gelegen eiland. Nu kon het leger eindelijk op weg naar Troje, waar het nog veel ellende te wachten stond...
Na tien jaren vechten om de stad Troje is het de Grieken nog steeds niet gelukt om deze handelsplaats te veroveren. Dan bedenkt de listige Odysseus een list. Hij laat een groot houten paard bouwen, en daar verstoppen een tiental soldaten zich in. Daarna doen de Grieken alsof ze naar huis terugkeren, maar in feite varen ze alleen naar het eilandje Tenedus, vlak voor de kust, om zich daar achter te verstoppen. Na tien jaar kunnen de Trojanen eindelijk opgelucht ademhalen, en ze vieren een groot feest. Ze vinden het houten paard, en denken dat het een geschenk is van de Grieken, en halen het de stad binnen. 's Nachts, als alle Trojanen met veel wijn op naar bed gaan, klimmen de Grieken uit het paard, en openen de poort voor de rest van het leger van Agamemnon. De Grieken verwoesten de hele stad, steken hem in brand, en vermoorden bijna alle Trojanen.

Een van de weinige overlevenden van deze slachtpartij was Aeneas, die na vele omzwervingen in het gebied Latium in Italië aankwam. Daar stichtte hij een stadje, naar zijn vrouw vernoemd: Lavinium. Uit dit Lavinium stichtte zijn zoon Ascanius (of: Iulus) het stadje Alba Longa. Op een zeker moment regeert daar koning Numitor. De broer van die koning, Amulius, is jaloers op zijn broer en verdrijft hem van de troon. Amulius kan echter niet gerust gaan slapen, want hij vreest wraak. Daarom besluit hij de zonen van Numitor te doden, en de dochter van zijn broer (Rhea Silvia) tot Vestaalse Maagd te benoemen, zodat zij geen kinderen zou kunnen krijgen, dacht hij. Rhea Silvia kreeg 2 kinderen, en bracht een tweeling ter aarde. De twee jongetjes noemde ze Romulus en Remus. Amulius stond dit niet toe, en gaf zonder medelijden bevel de jongetjes in een rieten mand in de Tiber te gooien, de rivier waaraan later Rome werd gesticht. Romulus en Remus hadden geluk: De rivier was buiten zijn oevers getreden, en overal ontstonden ondiepe poelen. Diegenen die Romulus en Remus in Tiber moesten gooien, konden de echte oevers van de rivier niet bereiken. Ze dachten ook aan de opdracht van Amulius te kunnen voldoen door de baby`s aan de rand van het overstroomde gebied in het water te leggen, op de plaats waar nu de vijgeboom Ruminalis (vroeger: Romularis) staat.

Toen het water daalde, bleef de mand met de baby`s op een boomwortel steken. Een wolvin hoorde het gehuil van de kinderen en kwam er op af. Zij likte Romulus en Remus af en zoogde hen. De opperherder van de koninklijke kudde vond de jongetjes en de wolvin. De herder, Faustulus genaamd, nam Romulus en Remus mee naar huis en voedde hen samen met zijn vrouw Larentia op.

Romulus en Remus groeien op. Op een dag gaan ze samen met een paar vrienden op jacht in het bos. Daar komen ze een aantal rovers tegen waarvan ze de buit afpakken. De rovers pikken dit niet: ze leggen een hinderlaag, en Remus wordt gevangen en uitgeleverd aan Numitor. Numitor kwam erachter wie Remus was, en samen met Romulus en de herders uit het dorp van Faustulus vermoorden ze Amulius. Op die manier wordt Numitor weer koning in Alba Longa.

De tweeling komt op het idee om een stad te stichten op de plaats waar ze zijn achtergelaten bij de rivier. Maar ze hebben wel een probleem: wie zal er mogen regeren? Ze besluiten aan de goden om een teken te vragen: Romulus ging op de heuvel Palatijn staan, en Remus op de Aventijn. Dan krijgt Remus een teken: er verschijnen zes gieren in de lucht. Remus en zijn aanhangers waren blij: Remus zou koning worden. Maar even later vertoonden zich twee keer zo veel gieren aan Romulus. Romulus en zijn aanhangers vonden dat Romulus koning moest worden. Beide partijen ontmoetten elkaar, en begonnen te vechten. Er ontstond een groot bloedbad, en Remus werd gedood. Romulus sticht op 21 april 753 v. Chr. de stad die de naam kreeg van zijn stichter: Rome...

De appels uit de tuin van de Hesperiden 

Herakles’ elfde opdracht luidde: haal de gouden appels uit de tuin van de Hesperiden en breng ze naar Mykene. Die tuin bevond zich in het Noorden van Afrika, op de hellingen van het Atlasgebergte. De boom droeg gouden vruchten en dat ooit eens iemand zou pogen die appels te stelen was niet denkbeeldig. Daarom had Hera de draak Ladon aangesteld als bewaker van de kostbare appelen. Ladon was een monsterachtige slang met honderd koppen. Hij was de zoon van Phorkys en Keto en dus een broeder van Medusa en de twee andere Gorgonen. Er wordt beweerd dat Ladon kon spreken, wel honderd talen: één voor iedere kop.

Herakles wist niet waar de tuin der Hesperiden zich bevond. Daarom ging hij eerst te rade bij een oude zeegod, Nereus. Deze laatste is vooral bekend als de vader van de Nereïden, vijftig zeenimfen, verwekt bij Doris, dochter van de titanen Okeanos en Tethys. De twee meest bekende Nereïden zijn Amphitrite, echtgenote van de god Poseidon, en Thetis, moeder van de held Achilles. Nereus toonde Herakles de weg die hij diende te volgen. Hij gaf hem daarenboven de raad de appels niet zelf te plukken, doch zich eerst naar Atlas te begeven en aan hem die klus over te laten.

Toen Herakles zich met dat verzoek bij Atlas aanmeldde, verklaarde de reus zich onmiddellijk bereid de appels te gaan halen. Hij wist precies hoe zijn dochters, de Hesperiden, konden verschalkt worden. Er waren echter twee problemen. Ten eerste: Atlas was bang van het monster Ladon en daarom moest deze eerst onschadelijk gemaakt worden. En ten tweede: Atlas torste het hemelgewelf op zijn schouders en die last zou Herakles dus van hem moeten overnemen, voor even maar…Eerst zou Herakles zich met het monster Ladon bemoeien. Atlas wees hem de weg naar de tuin der Hesperiden, waarrond een beschermende muur was gebouwd. Gezwind beklom Herakles de muur. Hij zag de draak die zijn lijf rond de gouden appelboom gekronkeld had. Uitstekend schutter als hij was, had hij aan één pijl genoeg, om het machtig lijf te doorboren, dwars doorheen het hart. De draak was nu dood en Herakles ging het melden aan Atlas. Met het hemelgewelf op zijn schouders, zou Atlas er echter nooit in slagen over de tuinmuur te klimmen. Dus moest Herakles even die onnoemelijk zware last overnemen. Van dat enorme gewicht verlost te zijn gaf Atlas een zalig gevoel, een gevoel dat best wat langer mocht duren. Hij kwam al snel aandraven met de gouden appelen – er waren er drie – echter niet om ze direct aan Herakles te geven… Ik draag de appels zelf wel naar Eurystheus, terwijl gij nog even het hemelgewelf verder torst, zo sprak de reus. Herakles was bang – misschien niet onterecht – dat Atlas nooit meer zou terugkeren en hem die zware last van het hemelgewelf voor altijd zou overlaten. Hij verzon een list. Hij liet blijken dat hij met het voorstel akkoord ging doch verzocht Atlas het nog een ogenblik van hem over te nemen, teneinde hem toe te laten een kussentje op zijn schouders te leggen, op de plaats waar het gewicht een knagende pijn veroorzaakte. Maar pas had Atlas de last weer op zijn schouders of Herakles riste de appels uit zijn handen en spoedde zich, zo snel als zijn benen hem dragen konden, op weg naar Mykene. Daar gaf hij de appels aan zijn opdrachtgever, maar deze gaf ze onmiddellijk terug, bang als hij was voor de wraak van Hera, de rechtmatige eigenares. Herakles gaf de appels aan Athena die hem tijdens de hele onderneming met raad en daad had bijgestaan en via de wijze godin belandden ze uiteindelijk weer in de tuin der Hesperiden, waar zij per slot van rekening thuishoorden

Adam en Eva 

Helemaal in het begin was er niets. Helemaal niets. Geen dingen, geen tijd, geen licht. Alleen god. Maar altijd maar alleen en altijd maar in het donker, dat begon hem behoorlijk te vervelen. Daarom maakte hij licht en begon de dingen te maken die er nu nog zijn: de dag en de nacht, de sterren, de aarde, de planten en de dieren.

En als laatste wilde hij iets heel bijzonders maken. Iets wat niet leek op de andere dingen die hij tot nu gemaakt had. Iets wat meer op hem leek en waar hij mee kon praten. En zo maakte hij de eerste mensen, Adam en Eva.Hij nam Adam en Eva mee naar een prachtige tuin. In die tuin groeiden de meest fraaie bomen, en je kon de altijd rijpe vruchten zo van de bomen plukken. Allerlei dieren speelden er met elkaar of wandelden daar rond. God zei: ‘Deze tuin is voor jullie. Hier vind je alles wat je nodig hebt.’ Samen met Adam en Eva liep hij naar een heel oude boom waaraan grote appels hingen. ‘Je mag alles eten wat er aan bomen en planten groeit, behalve de appels van deze boom. Beloof me dat.’ Adam en Eva beloofden dit, ze vroegen niet eens waarom. Want waarom zouden ze juist van die ene boom iets willen hebben als al het andere moois zo voor het grijpen hangt? Elke avond kwam god even langs bij Adam en Eva om een praatje te maken. En hij zag dat alles goed was en hij was heel tevreden.

Op een dag liepen Adam en Eva langs die oude boom waar ze niets van mochten plukken. Er lag een slang onder de boom. ‘Dag mensen,’ zei de slang, ‘waarom neem je niet een lekkere appel van deze boom?’, ‘Dat mag niet,’ zeiden ze allebei, ‘God heeft gezegd dat dit de enige boom is waarvan we niets mogen pakken.’ ‘En waarom dan wel niet?’ vroeg de slang. Dat wisten Adam en Eva niet. ‘Omdat je dan net zo slim wordt als god,’ zei de slang. ‘En dat wil hij niet hebben. Jullie zijn maar mensen, en geen god. En dat moet zo blijven, vindt hij.’ Adam en Eva begonnen te twijfelen. Zou de slang gelijk hebben? Zouden ze evenveel weten als god als ze een appel van die boom zouden eten? Dat zou dan niet eerlijk van god zijn. Dan zou hij hen dus dom willen houden. ‘Toe, pak er maar een klein hapje van,’ zei de slang. Hij hield een appel voor de mond van Eva en die beet er een klein hapje uit. En ook Adam nam een hapje. ’s Avonds kwam god weer langs om een praatje te maken. Maar tot zijn grote verbazing zag hij dat Adam en Eva kleren aan hadden. ‘Waarom hebben jullie kleren aan gedaan,’ vroeg hij. ‘Wij hebben deze middag een hapje van een appel gegeten. En daarom zijn we nu even slim als u. En dus weten we dat het niet netjes is om in je nakie te lopen. ’God werd boos, heel boos. ‘Dus je hebt toch een appel van die boom op. Je mocht alles hebben, alles eten, alles doen. Behalve een appel eten van de oude boom. Jullie hebben beloofd om dat niet te doen. Ik vertrouw jullie niet meer. Ik wil dat je de tuin uit gaat. Ga maar ergens anders wonen. ’Adam en Eva gingen de tuin uit en kwamen zo op de aarde.

Ze kregen kinderen en die kinderen kregen weer kinderen en die kinderen kregen weer kinderen. En nu leven wij hier op de aarde en niet meer in die mooie tuin. Misschien, als Adam en Eva niet van die appel gegeten hadden… misschien dat we dan nog in die prachtige tuin woonden. Maar misschien was er dan wel iets anders gebeurd! We zullen het nooit weten…

Wilhelm Tell 

Een Zwitserse legende over de appel van Willem Tell

Op een herfstnacht in de maand november van het jaar 1307 kwamen 33 mannen uit drie Zwitserse kantons op de Rütliweide in Unterwalden aan de Vierwaldstättersee bijeen en beloofden met een plechtige eed hun land tegen de Oostenrijkse indringers te verdedigen.

De wrede landvoogd Gessler vermoedde onraad en om de volksstemming te peilen liet hij op de markt in Altdorf, de hoofdstad van het kanton Uri, een Oostenrijkse hertogshoed op een stang plaatsen en onder trompetgeschal door een omroeper bekend maken, dat iedere voorbijganger die hoed met eerbied moest groeten alsof hij voor de Habsburgse keizer zelf stond. De Zwitsers slikten hun ergernis in en gehoorzaamden. Tot Wilhelm Tell, één van de 33 mannen uit Rütli, voorbijging zonder enig respect voor de hoed te tonen. Hij werd door Gesslers mannen gegrepen en voor de landvoogd gebracht.
Gessler had horen spreken over Tells bekwaamheid in het boogschieten. "Jij die zo kan schieten," zei hij, "moet een meesterschot doen: je moet met een pijl een appel van het hoofd van je kind schieten." Tevergeefs protesteerde de ontstelde vader. Gessler antwoordde honend, dat hij bij weigering zowel vader als zoon ter dood zou veroordelen.

Nu werd aan Wilhelm een handboog gegeven en een koker, waaruit hij twee pijlen koos. De ene pijl legde hij op de handboog, de andere stak hij in zijn gordel. Terwijl de toeschouwers in ademloze spanning toekeken, mikte hij. Het volgende ogenblik viel de appel stukgeschoten van het hoofd van de jongen. Het volk juichte en Tell omarmde in blijdschap zijn zoon. "Je bent een knap schutter," zei Gessler, "maar zeg eens, waarom stak je een pijl in je gordel?" Tell aarzelde met zijn antwoord, maar de landvoogd zei: "Zeg zonder vrees de waarheid. Ik beloof je dat je leven gespaard blijft!". "Welnu," antwoordde Tell, "dan zal ik de hele waarheid zeggen. Had ik mijn kind met de pijl getroffen, dan was de andere voor u bestemd geweest en die zou zeker zijn doel niet gemist hebben!" Met een grimmig gezicht zei Gessler: "Dat je leven veilig was, dat heb ik je beloofd en die belofte zal ik houden. Maar om mij veilig voor jou te voelen, zal ik je in de boeien laten slaan en je naar een plaats brengen waar zon noch maan schijnt."

Daarop beval hij Tell naar een burcht te brengen aan de andere zijde van de Vierwaldstättersee. Nauwelijks was de boot van wal gestoken, of er brak een geweldige stom los. Het schip was de ondergang nabij. Allen aan boord riepen dat Wilhelm Tell de enige was die hen kon redden. Gessler liet zijn boeien losmaken. Zodra Tell het roer in handen had, hield hij recht op de oever aan. Toen de boot langs een laag plateau in de rotswand gleed, maakte hij van de gelegenheid gebruik, greep zijn boog en sprong op de rots, die nog heden ten dage 'die Tellsplatte' heet. Voordat men aan boord begreep wat er was gebeurd, was Tell al in de bergen verdwenen.

Toen Gessler de volgende dag naar zijn slot reed en hij bij een holle weg tussen met bos beklede hoogten kwam, suisde een pijl op hem neer en trof hem in de borst. "Dat is Tells pijl," zei hij, "die ken ik." En daarop gaf hij de geest.